Jac Rinkes in De Schijnwerper
Deze keer in De Schijnwerper een interview met prof. mr. Jac Rinkes. Op 7 oktober 2005 hield hij zijn inaugurele rede voor zijn aanstelling als hoogleraar privaatrecht aan de Open Universiteit en op 18 november 2005 voor zijn aanstelling als buitengewoon hoogleraar Europees consumentenrecht aan de Universiteit van Maastricht. De titel van zijn oratie die hij aan onze universiteit heeft hij gesproken luidt: Reasonable expectations of honest men (bekijk de video of lees de tekst). Hierin houdt hij een pleidooi voor herbezinning op de grondslagen van het privaatrecht. Kern is de stelling dat het Nederlandse privaatrecht vanuit het gezichtspunt van efficiency en rechtszekerheid er baat bij zou hebben om, naast de objectieve maatstaven van redelijkheid en billijkheid, het concept van eerlijkheid als optelsom van oprechtheid en accuraatheid een duidelijke plaats te geven. Het beginsel dat daarbij uitgangspunt is (reasonable expectations of honest men) wordt algemeen onderschreven; naast de regel dat oneerlijke handelspraktijken moeten worden tegengegaan is er nog een aantal andere argumenten om deze 'gerestaureerde' toetsingsnorm met meer nauwgezetheid toe te passen.
De titel van zijn in het Engels uitgesproken oratie in Maastricht luidt: European consumer law: making sense. Zie ook zijn uitgebreide publicatielijst.
Reacties kunt u richten aan John Dohmen.
U heeft na de middelbare school gekozen voor een rechtenstudie. Waaruit kwam deze keuze voort?
Mijn keuze voor de studie rechten kwam voort uit een combinatie van verschillende vakgebieden. Ik had belangstelling voor geschiedenis, maatschappij en samenleving, maar ook voor taal. Schrijven, ja, dat wilde ik! Tot op de dag van vandaag ben ik bijvoorbeeld nog steeds geabonneerd op Onze Taal. Rechten leek mij de meest veelzijdige studie waarin al die vakgebieden vertegenwoordigd waren.
Welk deel van de studie heeft u met de meeste belangstelling gevolgd? En lag dat aan de inhoud van de stof of aan de bevlogenheid van de docenten?
Privaatrecht, romeins recht en wijsbegeerte. Omdat die gebieden me lagen en omdat we heel goede docenten hadden, zoals Schoordijk voor privaatrecht en methodologie. Tilburg heeft altijd erg goed onderwijs gegeven. Maar het was vooral mijn belangstelling natuurlijk die maakte dat ik daar het meeste plezier in had.
De Belgische hoogleraar Storme brak onlangs in een interview nog een lans voor het onderwijs in metajuridische vakken. Hij zag met lede ogen aan dat dat her en der begon af te brokkelen aan de universiteiten.
Je maakt het je wel iets gemakkelijker als je wat breder met het recht omgaat. Ik heb zelf nog 'ouderwets' rechten gestudeerd. Twee jaar Romeins recht, rechtsfilosofie e.d. Bedenken hoe je problemen kunt aanpakken en wat je ermee doet. Kritiek en methode, daar gaat het ook om bij Gadamer en Habermas, filosofen uit de Frankfurter Schule. Zelf ben ik beïnvloed door de rechtsfilosoof Wieland. Ik kom uit de Amsterdamse traditie met Bregstein en Eggens: het was vanzelfsprekend dat je nadenkt over dat soort dingen. Nadenken over zaken die het rechtspositivisme overstijgen. Als je al een vak als rechten ingaat met belangstelling voor didactiek, maatschappij, geschiedenis en taal, dan moet je natuurlijk ook voldoende daarvoor openstaan. Dat zal Storme wel bedoelen.
In hetzelfde artikel zegt hij het toe te zullen juichen wanneer rechtenstudenten ook verplichte literatuurcolleges zouden volgen.
Dat is in Nederland ook al gebeurd. Er is hier wel eens een lijst gepubliceerd die elke jurist gelezen zou moeten hebben. Helaas stonden daar vooral de gangbare klassiekers op zoals Oorlog en vrede. Lezen blijft het belangrijkste. Twee maanden geleden nog is er gesproken over een minimumlijstje literaire bagage voor rechtenstudenten. Inclusief Mulisch. Maar ik neem aan dat de meeste mensen dat toch wel zullen doen. Er wordt gelukkig nog veel gelezen.
U bent uiteindelijk privatist geworden. Had metajuridica of strafrecht, gezien uw belangstelling niet meer voor de hand gelegen?
Privaatrecht is het meest vrije van de vakgebieden. De andere zijn meer ordenend. Privaatrecht kenmerkt zich door de overheid die de burgers een in hoofdzaak niet bindend instrument biedt om de eigen relaties te regelen. Die zelfstandigheid, die verantwoordelijkheid die je nu ziet, je moet steeds meer zelf kiezen, welke telecomaanbieder, welke verzekeraar, dat idee bestaat in het privaatrecht al heel lang. Privaatrecht geeft instrumenten om eigen keuzes te maken. Het strafrecht verordonneert: dit mag wel en dat mag niet. In het staats- en bestuursrecht is het de overheid die optreedt. Het privaatrecht regelt de relaties tussen burgers onderling. De overheid is daar niet direct sturend bij betrokken. Daarom is het ook zo'n mooi vak. En daarom kun je ook een oratie houden over reasonable expectations, gerechtvaardigde verwachtingen. Als norm, dat je je gedrag afstemt op wat een ander doet. Vertrouwen dat gewekt wordt door een bepaalde gedraging van iemand. Het privaatrecht kan daar iets mee. Maar om dat te kunnen begrijpen, moet je meer dingen doen dan enkel de regels kennen en om daarmee om te kunnen gaan moet je een heel goed besef hebben van het feit dat de maatschappij verandert, de geschiedenis verandert, hoe alles in elkaar zit. Dat maakt het privaatrecht zo boeiend. Zoals ik bij mijn oratie al zei: hoe het recht in de praktijk werkt heb ik bij de rechterlijke macht geleerd en van advocaten heb ik geleerd hoe de praktijk in het recht is. Als je dat combineert met belangstelling voor wetenschap en onderwijs, dan heb je een rijk leven.
Als student heeft u het universitaire contactonderwijs leren kennen, toch heeft u gekozen voor een universiteit voor afstandsonderwijs. Waarom en mist u het contact met de studenten niet?
Vergeet niet dat ik ook twintig jaar gewerkt heb in Maastricht, maar dat is ook een eigen systeem. Nee, ik heb niet echt aan een universiteit met traditioneel contactonderwijs gewerkt. Wel geef ik zeer regelmatig contactonderwijs 'buiten de deur'. Contacten hier zijn anders, directer en ze worden steeds beter. Onze studentenpopulatie is buitengewoon interessant en goed.
U bent op twee universiteiten tegelijkertijd werkzaam en kunt dan ook een goede vergelijking maken. Kunnen we nog iets van elkaar leren?
Het maakt niet zo veel verschil. Het is hier wel zo dat het onderwijs wat statischer is. We werken hier met productieprocessen. Ten tijde van mijn aantreden had ik verwacht dat de Open Universiteit verder zou zijn in het digitale onderwijs. Nog steeds hebben niet alle studenten een OU-mailadres! Ik vind het vreemd dat we hier niet meer met videoconferencing doen of met technieken zoals teleforum. Daar moeten we naar toe. Dan krijg je ook contactonderwijs dat meteen op een hoger niveau is. Samenwerken in onderzoeksgemeenschappen in de master, daarvoor moet je contact hebben, want dat moet vrij direct zijn. Dat soort instrumenten, daarvan had ik verwacht dat we er hier al verder mee zouden zijn. Wij zouden koploper moeten zijn op dat gebied. Wij benutten in de contacten met de studenten niet ten volle de mogelijkheden van internet.
Wat ik hier wel heel goed vind, is dat we veel inzichtelijker zijn in ons onderwijsmateriaal. We maken mooie werkboeken, goede tentamens en uitwerkingen daarvan. We geven ons heel erg bloot. Naar de studenten, maar ook naar de juridische gemeenschap toe. Iedereen die wil weten hoe bijvoorbeeld verbintenissenrecht werkt, kan daar alles over inzien. Die inzichtelijkheid maakt het gemakkelijker voor studenten om te weten wat er van ze verwacht wordt. Dat zouden andere instellingen wel wat meer kunnen doen, denk ik. We zijn wat studentvriendelijker in die zin.
Twee zaken zijn voor ons nu van belang. Op de eerste plaats moeten we heel zorgvuldig omgaan met het afstandsonderwijs. Concrete dingen doen die studenten en medewerkers kunnen gebruiken. Blackboard komt er nu aan. Het tweede belangrijke punt is het onderzoek. Op dat punt heeft de Open Universiteit een uitzonderingspositie gehad in die zin dat hier voornamelijk onderzoek werd gedaan in functie van het onderwijs, maar in de toekomst zullen we ook zelfstandig onderzoek moeten verrichten en op dat gebied concurreren met de andere rechtenfaculteiten. Dat is een nieuwe taak en een mooie uitdaging. We hebben een aantal voordelen hier, maar er blijft nog veel te verbeteren over.
Een leuke uitdaging zou ook de pilot kunnen zijn dat door het College van bestuur is aangekondigd. Open sourcing, hoe staat u daar tegenover?
Helemaal voor.
U heeft niet de angst dat andere faculteiten of commerciële instellingen met ons materiaal aan de haal gaan?
Over onderwijs wordt nog steeds heel geheimzinnig gedaan. Als je als student erin zit, weet je wat er gebeurt, weet je wat er van je gevraagd wordt. Wij zijn daar heel goed in. Maar wat er precies wordt aangeleerd, weet niemand. Als je bijvoorbeeld wilt weten wat er aan wiskunde wordt gedaan op 2 havo, is het lastig daar achter te komen. Als je naar een kennissamenleving wilt, moet je kennis willen delen en dan moet je kennis beschikbaar willen maken. Wetenschappers zijn er al aan gewend om digitaal te publiceren. Wetenschappers weten dat je alleen verder komt als je met elkaar in debat gaat en daarvoor moet je je open stellen, je bloot geven en daarvoor moet informatie worden uitgewisseld. Er is niks geheims of goudomrands aan goed onderzoek. Je moet het doen, en als het er is, waarom wil je dat dan niet delen? Het vreemde hier in Nederland is, dat als we dan zo graag een kennisland willen zijn, heel veel van dat onderwijs is weggestopt in departementale regelingen die enkel eindtermen bepalen. Dat is raar. Je kunt het studiehuis bekritiseren, uitspreken dat studenten tegenwoordig niks meer kunnen en niks meer leren, maar dat is van alle tijden. Dat deden Seneca en Francis Bacon al. 'Ze leren niks meer en slenteren de hele dag langs de straten'. Ik denk dat we er goed aan zouden doen om opener te zijn in het onderwijs, meer uitwisseling. Ik zou het prima vinden als meer van het onderwijs gedeeld werd. Inzichtelijkheid, daar draait het om. Laat zien wat je doet. Durf kritiek te ontvangen, alles vanuit het perspectief dat we daar beter van kunnen worden.
De theorie is prachtig. Maar wat te denken van practische problemen zoals die door bijvoorbeeld het auteursrecht worden opgeworpen? Niet al ons onderwijsmateriaal is exclusief ons materiaal.
Ja, ik weet dat je niet alle cursussen zomaar op het net kunt plaatsen. Er zijn natuurlijk praktische, juridisch-technische problemen die we moeten oplossen. Maar je moet niet alles zelf uit willen vinden. Op gebied van onderwijs kun je goed uitwisselen. Privaatrecht doet dat op de jaarlijkse BW-dagen, daar wordt ook gesproken over het uitwisselen van tentamens en onderwijsmateriaal. Het zou niet allemaal full text op internet hoeven te staan, maar het zou wel heel mooi zijn, ook voor studenten zelf, om, als je bijvoorbeeld consumentenrecht gaat doen, om eerst te kunnen zien hoe het programma en wat de inhoud van dat vak is in Maastricht, Amsterdam Heerlen of Utrecht. Dan kun je ook beter kiezen. In de toekomst kunnen studenten met leerrechten ook per half jaar inschrijven waar ze willen. Je kunt die leerrechten overal opmaken. Misschien vind je het inderdaad wel leuker om een bepaald vak in Utrecht en niet in Heerlen te doen. Maar hoe bepaal je dat? Nu heeft de student daar geen idee van. Doen ze hetzelfde, doen ze andere dingen? Er is natuurlijk wel samenwerking, maar die is toch maar mondjesmaat. Als iedereen daar wat opener in is, denk ik dat je als student beter kunt kiezen, en dat je als onderwijsinstelling beter kunt concurreren.
Wat zijn onze speerpunten om bij de volgende visitatie goed voor de dag te komen?
Nu hebben we nog te maken met facultaire accreditaties. Uiteindelijk gaan we naar universitaire accreditaties toe. Ik denk dat we de sterke punten die we hebben moeten uitbouwen. We moeten die openheid naar studenten en naar de juridische samenleving benutten. Daar kunnen we wat mee. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we studenten meer betrekken bij onderwijs en onderzoek. Een faculteit is een gemeenschap van docenten en studenten. Dat moeten we goed in de gaten houden. Meer samen doen, en dat kunnen we tegenwoordig mits we erin slagen allerlei nieuwe dingen tijdig te implementeren en ook op zoek te gaan naar nieuwe mogelijkheden. Verder is het zo dat de eisen natuurlijk vastliggen. We moeten geaccrediteerd onderzoek doen aan deze faculteit en dat gebeurt al wel maar daarvoor moeten we wel nieuwe dingen gaan doen en daar zijn we nog niet echt op ingericht. Dat was voorheen niet de bedoeling, maar dat zal nu wel moeten.
Hebben we daar wel de menskracht voor om dat allemaal te doen?
Als je het verhoudingsgewijs bekijkt, wordt er al heel wat onderzoek gedaan. De output is ook nu al niet slecht. De decaan heeft het nieuwe onderzoeksbeleid aangekondigd en de onderzoekscommissie heeft nu een voorstel gemaakt waarin dat wordt uitgewerkt om te kijken hoe we onze sterke kanten kunnen uitbouwen. Dat betekent dat je bijvoorbeeld moet kijken naar het onderwijsgebonden onderzoek, daar kunnen we ook meer mee, en daarnaast zullen we geaccrediteerd onderzoek moeten gaan doen. Daar zullen we met de facultaire gemeenschap goed over na moeten denken. Dat wordt een speerpunt, je mag geen master aanbieden als je geen geaccrediteerd onderzoek doet. De Open Universiteit krijgt daarin geen uitzonderingspositie meer. Dat wordt wel leuk, het losse onderzoek dat hier al gebeurd, uit te bouwen tot een te accrediteren onderzoeksgemeenschap.
Hoe zou uw favoriete master uitzien?
Twee vragen moeten we beantwoorden. Sluit de master, zoals we die nu hebben, aan bij wat de studenten willen en biedt het programma voldoende flexibiliteit? Daarover moeten we binnen deze faculteit gaan discussiëren. Het tweede punt is hoe we die master gaan inbedden in onze onderzoeksgemeenschap met studenten. Bijkomend aspect is dat bachelor en master gescheiden zaken zijn. Moet onze master ook aantrekkelijk zijn voor studenten die elders een bachelor hebben gehaald? Als je daar ja op zegt, dan moeten we daar ook rekening mee houden. We hebben daar voorstellen voor gedaan. Je kunt je bijvoorbeeld voorstellen dat je ook vakken van andere universiteiten hier inbouwt in een masterthema. Het zou mooi zijn als we hier naar een soort graduate school gaan met andere faculteiten van onze instelling waarbij het onderzoek gekoppeld wordt en waarbij je ook weer teruggaat naar de oude gedachte dat je als student veel flexibiliteit hebt in de keuze van vakken in een bepaalde studierichting of opleiding. Misschien dat we daar iets meer mee kunnen als Open Universiteit. Een soort shopping. De master moet herkenbaarder zijn en de zelfstandigheid moet benadrukt worden.
Gaat die master die u voor ogen heeft dan meer in de breedte? Of, voor de herkenbaarheid, juist in de diepte?
Met het aanbieden van al te specialistische vakken bewijs je studenten geen dienst. Stel je voor: een master rechtsfilosofie en verder niks. Studenten die een brede master willen volgen zou je dan naar een andere universiteit moeten sturen. Dat is niet goed, mag ook niet volgens de wet. Maar je moet in ieder geval een master aanbieden die aansluit op de bachelor. Maar nu is het te veel een herschikking geweest. Dat is niet zo erg, het is ook nog allemaal nieuw. Maar op korte termijn moeten we toch naar een herkenbare en zelfstandige master.
De landelijke studentenenquête Choice heeft ons vereerd met een eerste plaats voor wat betreft inhoud, studeerbaarheid en communicatie. Mooie positie, maar kunnen we die, gezien de bezuinigingen die op ons af zijn gekomen, nog wel succesvol verdedigen?
Het is een verdiende plaats die eigen is aan de manier waarop wij hier werken. Wel moeten we goed nadenken over nieuwe technologieën, andere manier van afstandsonderwijs. Die plaats hebben we gekregen voor de manier waarop we dat doen. Een mooie pluim en een steuntje in de rug om door te gaan op de manier waarop we bezig zijn.
Kan de instroom niet hoger?
Dat is een zaak van marketing. Er is een grens aan de aantrekkingskracht die je kunt bereiken door nóg betere producten te maken. Studenten moeten zelf kiezen voor deze goede rechtenopleiding.
Maar, als je als doelgroep mensen voor ogen hebt die hun studie willen gebruiken om hun carrièrekansen te verbeteren, dan moet je met marketing om tafel gaan zitten om gerichte kernachtige advertenties in vakbladen en carrièresites te plaatsen.
Dat is iets wat onze decaan ook al doet. We hebben daar een keer voorstellen voor gedaan. Ik vraag me trouwens af of zo veel mensen gaan studeren om hun carrière te verbeteren. De meeste doen dat toch om zichzelf te ontwikkelen, ze willen de uitdaging van een academische opleiding aan. Dat is ook de enige manier, anders houd je dat geen jaren vol. En de groep die het doet voor de carrière die moeten we kant en klare pakketten kunnen bieden. En ik kan me inderdaad voorstellen dat we gaan adverteren in het Verzekeringsblad, bedrijfsbladen van banken of van Philips. Maar in die contreien kent men ons eigenlijk wel. Die groepen zijn niet zo moeilijk te benaderen.
In onze faculteit is er geen mogelijkheid voor medewerkers iets over hun onderzoek te presenteren. Mist u dat niet?
Zeker, maar de decaan heeft al in de accreditatie aangekondigd dat we een onderzoeksgemeenschap zullen krijgen en de bedoeling is dat we tweewekelijks, of ten minste een keer per maand, iemand de mogelijkheid bieden iets te presenteren over zijn onderzoek. Masterstudenten moeten daar ook toegang toe kunnen krijgen. Met anderen ben ik al bezig om dat op de digitale manier te gaan doen. Dat willen we in het nieuwe jaar gaan opzetten. Ik wil alleen graag een ruimte hebben waar we dat ook kunnen doen. En dan staat iedereen te trappelen om dat te komen doen, denk ik.
Interview afgenomen door John Dohmen
Reactie Marcel Maassen, projectcoördinator/beheerder Rechtswetenschappen:
Zin en onzin van open source
Er wordt snel geroepen dat open source de oplossing is voor het beheren en ontsluiten van bijvoorbeeld onderwijsleermateriaal.
Voor wat betreft de opslag en het hergebruik van materiaal is open source zeker een oplossing. Bronmateriaal blijft in de oorspronkelijke vorm beschikbaar (platformonafhankelijke gegevensopslag). Er moeten dan wel goede afspraken gemaakt worden over hoe en waar zaken opgeslagen zijn en vooral hoe, waar, wanneer en door wie te onsluiten. Daar gaat het meestal mis.
De ervaring heeft geleerd dat materiaal dat gemaakt is met de bedoeling om het opnieuw te gebruiken na eenmalig gebruik toch in de kast ligt te verstoffen. Dit heeft te maken met het feit dat inhoud snel kan verouderen, het toch goedkoper blijkt om 'from scratch' te beginnen. Overdracht van materiaal naar andere ontwikkelaars die dan (altijd) roepen dat het beter kan en niets kunnen met bestaande source-codes, dingen niet handig vinden en dus eigenlijk ook weer van voor af aan beginnen.
'Open source is gratis' wordt altijd enthousiast geroepen. Dat is dus maar de halve waarheid. Er zal toch altijd een schil gemaakt moeten worden om de informatie of leerinhoud in dit geval, te ontsluiten en wel in zo'n vorm dat het voor de eindgebruiker geschikt en vriendelijk is. Content moet beheerd en geredigeerd worden op een slimme manier. Hier zit (een van) de adder(s) onder het gras. Deze schil of GUI (graphical user interface) zal gebouwd moeten worden. Dat kost geld. Er zijn nu al diverse bedrijven die hier een goede boterham mee verdienen.
Bij gebruik van open source zal men zich goed moeten afvragen wat men uiteindelijk wil en of het doel de middelen heiligt.
Het vrij eenvoudige software programma CALI voldoet prima om bijvoorbeeld diagnostische toetsen te presenteren via het net. Studenten reageren positief. Materiaal kan er eenvoudig in gehangen worden en gepresenteerd worden via een ELO. De content is aan veel verandering onderhevig. Maar door slim en economisch het programma te gebruiken is deze inhoud goed te beheren. Om hiervoor open cource te gebruiken is met een kanon op een mug schieten.
Open source is niet de ultieme oplossing om leerinhoud op een interactieve manier te beheren en te presenteren. Net zo min als welk ander systeem dan ook. Volgens mij is het beter om naar de aard van de inhoud te kijken en op basis van wat men wil (binnen tijd, budget etc.) voor een pragmatische oplossing te kiezen. En of dat nou met open source moet gebeuren of in Word doet er eigenlijk niet zoveel toe.