Zoeken

Paul Janssen in De Schijnwerper

paul janssenIn november 2009 nam Paul Janssen (1945) na 25 jaar afscheid van de Open Universiteit. Hier was hij als disciplineleider belast met de vormgeving van het onderwijs binnen de sectie Internationaal recht, meer in het bijzonder het Volkenrecht en de methodologie van internationaal recht in een digitale context. Zijn curriculum mag opmerkelijk worden genoemd. Ik voeg er hierbij ook nog aan toe dat hij ook nog een begenadigd pianospeler is en een opleiding aan het conservatorium heeft gevolgd. Dat hij graag een blik werpt over de muur van zijn eigen vakgebied blijkt ook uit de titel van zijn proefschrift, in 1991 verdedigd aan de Vrije Universiteit van Amsterdam: Geweld als oorsprong van de samenleving. Over de cultuurtheorie van René Girard. Een gedreven intellectueel die zijn kennis graag en met toewijding aan studenten overdraagt. Het woord is aan hem.

Sanitair

Na de middelbare school ben ik gaan werken bij een industriële handelsonderneming, afdeling sanitair, specialiteit ziekenhuisinrichtingen. Daarvoor was het van belang het gas- en waterfitten onder de knie te krijgen. Dat lukte en zo heb ik het ziekenhuis Tilburg ingericht en het kinderziekenhuis Nijmegen. Voor het thuisklussen komt die kennis nog wel eens van pas, maar vertel het niet verder, want dan word ik van alle kanten lastig gevallen!

Assistent-accountant

Op een gegeven moment komt natuurlijk het moment dat je je afvraagt of dit wel is wat je van het leven verwacht. Nee dus. Ik wilde gaan studeren. Maar thuis, mijn vader was invalide, hadden we een beperkt inkomen en studeren zat er niet in. Toch ben ik aan de Gelderse leergangen begonnen met Nederlands. Op de middelbare school blonk ik uit in talen, dus die keuze lag voor mij voor de hand. Dat heb ik een half jaar volgehouden, maar dat was het ook niet. Ik was geïnteresseerd in letterkunde en daar stond alleen maar taalkunde op het programma. Dat was wel het laatste wat me interesseerde. Mijn vader wilde toen wel een keer een test voor me betalen om na te kunnen gaan wat ik zou kunnen gaan doen in mijn leven. Voor mij was dat een goede test. Hier kwamen twee dingen uit naar voren. Ik zou een beurs kunnen krijgen met het advies om rechten te doen. 'Maar', zo werd aangevuld, 'als u niet wilt gaan studeren omdat u thuis uw ouders wilt onderhouden, zoek dan werk in de richting van accountancy'. Mijn reactie was, omdat mijn vader boekhouder was: nee toch! Maar goed, ik kon bij die handelsonderneming waar ik al werkte doorschuiven naar de afdeling interne controle en mijn studie accountancy beginnen. Dat heb ik voor een groot deel afgemaakt, maar ik kreeg in die tijd ook verkering met mijn toenmalige. Dat meisje waar ik verkering mee kreeg had een vader die in een kerkbestuur zat. In dat kerkbestuur zat ook een penningmeester en die penningmeester had een accountantskantoortje en dat accountantskantoor zocht een medewerker. Omdat ik voor mijn werk telkens naar Arnhem moest en dat accountantskantoor in Nijmegen was gevestigd, dacht ik: ik stap over. Dat deed ik op 1 april 1964. Daar heb ik tot ongeveer 1968 gezeten. Na een jaar of drie kreeg ik de grote klanten en daar zat bij Elisabeth Bas/La Paz Sigarenfabrieken.

La Paz

Nu gebeurde er in 1968 het volgende: La Paz was een familieonderneming. Er zaten drie broers in de leiding die alle drie een opvolgingsprobleem hadden Er waren geen kinderen die geschikt waren om het bedrijf over te nemen. En de vraag kwam bij het accountantskantoor: 'kunnen jullie deze tent verkopen'. Nu kon mijn baas van alles, maar hij kon niet onderhandelen. Dus die opdracht kwam naar mij. Ik heb die tent op de tabaksbeurs in Bremen aangeboden en Svenska Tobacco is hier op ingegaan. Eind 1968 hebben zij de tent overgenomen. Op dat moment overlijdt echter bij La Paz de boekhouder. Aan mij toen de vraag of ik dat wilde doen. En zo ben ik eind 1968 overgestapt naar La Paz. Daar ben ik tot 1973 doorgegaan en werd er ook nog hoofd Financieel-economische afdeling en administratie. Ik heb er een grote tent van gemaakt. Later is er een econoom bijgekomen om mij terzijde te staan. Het is een holding geworden met de moedermaatschappij in Zwitserland en vestigingen in Frankrijk en België. In 1973 hadden ze 1275 man personeel. Het ging zo verder en ik had het wel naar mijn zin. In 1975 studeerde na zes jaar een toenmalige zwager van mij af die rechten had gestudeerd. Op dat afstudeerfeest was iedereen zat, ik ook. En ik heb toen gezegd: 'je bent toch wel hardstikke gestoord als je zes jaar nodig hebt om af te studeren'. Een dag later zei iemand: 'Kun jij het dan sneller?' Dat had hij niet moeten zeggen, want die uitdaging kon ik niet uit de weg. Ik had alles al gedaan in mijn werk en de sleur lag op de loer. Het was een internationale holding geworden en er gebeurde niks meer wat ik niet kende.

Rechtenstudie

In 1976 ben ik toen in de avonduren begonnen met een rechtenstudie. Het was een studie in Rotterdam die ik kon invullen met alleen het verplichte deel. Vervolgens alle internationaalrechtelijke vakken, internationale betrekkingen, internationale bestuurskunde enz. en de hele vrije ruimte met filosofie. In 1980 studeerde ik na vier jaar af. Internationaal recht heeft altijd al mijn belangstelling gehad. Al vanaf 1956 zou je kunnen zeggen toen ik als elfjarige jongen voor de draadomroep zat te luisteren naar de spannende gebeurtenissen over de inval in Hongarije. En dat is bij mij blijven hangen. In 1963 ben ik na mijn middelbare school ook een half jaar in Oost-Duitsland geweest. Oost-Berlijn. Ik wilde ervaren hoe het was. Goed, terug naar mijn verhaal. In 1981 heb ik gesolliciteerd bij de Europese Commissie. Ik ben door de examens heen gerold en op de lijst geplaatst. In 1982 kreeg ik een aanbod om te komen. Maar mijn toenmalige echtgenote had geen trek in een post in Luxemburg. Dat ging dus niet door. In 1983 kreeg ik vanwege een ongeluk voldoende tijd in mijn revalidatieperiode om mij op mijn eigen leven beraden. Tijd genoeg dus om me af te vragen wat ik nu eigenlijk wilde. Ik had rechten gedaan en filosofie, ik werkte bij La Paz, maar daar gebeurde niks meer.

Open Universiteit

In die periode kwam ik de advertentie tegen van de Open Universiteit. Ik solliciteerde. Wattel, toenmalig rector magnificus, vond mij interessant omdat ik uit de praktijk kwam. 1 juni 1984 ben ik hier begonnen. In korte tijd moest ik de Basiscursus recht in elkaar timmeren. Ik heb dat gedaan onder de voorwaarde dat ik daarna internationaal recht kon gaan doen. Daar was ik ook specifiek voor aangenomen. Het verhaal was namelijk dat we internationaal zouden gaan. Toen de Basiscursus klaar was, werd hij, met de mededeling: 'blijft u maar thuis want wij gaan hem wel aanbieden', aangeboden aan de koningin. Maar goed, laat ik me maar niet verleiden tot allerlei kwalificaties over het bobo-gedrag binnen de Open Universiteit. Ik kon in ieder geval beginnen met mijn internationaal recht.

U bent zo in het onderwijs gerold. Beviel het?

Van Riphagen in Rotterdam had ik er al een idee van hoe ik het onderwijs op wilde zetten. Dat was leuk, want daar had nog niemand enig benul van. Dat is een van de dingen die me bij zal blijven en waar ik de tent ook dankbaar voor ben: het opbouwen van het curriculum (eerst de cursussen volkenrecht, toen europees en vervolgens het internationaal privaatrecht), maar vooral de samenwerking met Martin Valcke waarmee ik een model heb kunnen ontwikkelen en alles in Mercator heb kunnen zetten. Helaas is Valcke hier moeten vertrekken en de stekker werd uit Mercator getrokken. Alles moest over in Cali. Valcke had bij mij wel al het beeld gecreëerd hoe ik internationaal recht geïntegreerd op een gegeven moment zou moeten overdragen. En dat heb ik waar kunnen maken. Helaas wordt nu weer moeilijk gedaan met Cali. Het wordt niet meer ondersteund. Dat de Open Universiteit vooral in bureaucratie is geïnteresseerd, daar kan ik weinig aan veranderen. Maar mijn vraag is altijd geweest: 'Kun je dat geïntegreerd doceren?' Dat kan dus. Het ontwikkelen van dat systeem heeft me de meeste voldoening gegeven, buiten natuurlijk het feit dat ik hier mijn echtgenote, Tilly Draaisma, ben tegengekomen.

Bent u 'Europeaan'?

Nee. Ze maken ervan wat ze nooit hadden moeten doen. Ze hadden het moeten houden als een verdrag dat zich bezighoudt met de liberalisering van het economische verkeer. Ze maken er nu een circus van waarvan het einde niet meer te zien is. Het leidt tot chaos. De rechtvaardiging is: 'We bannen de oorlog uit.' Ja, maar de burgeroorlog haal je binnen. Ik weet niet wat ze ermee willen. Er zitten een aantal landen in (Griekenland, Roemenie, Bulgarije) die er gewoon niet bij horen. En ze blijven maar binnengehaald worden. Zoiets kun je ook allemaal bilateraal regelen.

Op grond van welke criteria kunnen ze er wel bij?

Als je economisch en cultureel op dezelfde leest bent geschoeid. Griekenland is geen West-Europees christelijke cultuur en die past er dus niet bij. Je zult er op die grensvlakken altijd gedonder mee hebben. Dat geldt ook voor Turkije. Turkije zou een belangrijke rol kunnen spelen in de islamitische wereld, maar dat doen ze niet omdat ze zich maar blijven oriënteren op Europa.

Zou het goed zijn dat Balkenende naar Brussel gaat?

Jaja, maar dan wel om een andere reden. Dan krijgen we een andere regering en dan zijn we van dat AOW-gedoe af. Daar heb ik geen last van maar de medemens wel. De houdbaarheid van dit kabinet is voorbij. Ze zijn gewoon allemaal baantjes aan het zoeken. Albayrak is al met een cursus Frans bezig. Hirsch Ballin zal ook nog wel een post in Brussel krijgen.

Wat zou je moeten doen om een snellere integratie te bevorderen hier in Europa?

Waarom zou je sneller moeten integreren? Op buitenlands beleid zullen ze nooit op een lijn komen want ze nemen een hoge buitenlandse vertegenwoordiger in het verdrag van Lissabon en die komt op dezelfde positie te staan als de voorzitter van de commissie. Dus dat wordt touwtrekken. De eerste vertragingstechnieken zijn al ingebouwd. Met het verdrag van Lissabon krijg je geen snellere besluitvorming op dat gebied. Eerder vertraging. Daar krijg je nooit een eenheid. Het is een doodlopende weg.

Denkt u? Er is al zoveel opgetuigd!

Het circus zal wel blijven bestaan, maar op een gegeven moment gaat het weer allemaal vertragen en dan komt het weer allemaal in een politiek bureaucratisch moeras terecht en dan kan het zo wel weer een tijd doorsukkelen. En ik zie op dit moment geen sterke figuren die het proces weer vlot zouden kunnen trekken.

In de tijd van economische crisis was er opeens een sense of urgency onder de politici die ertoe leidde dat krachten gebundeld konden worden om de crisis te lijf te gaan. Binnen de kortste keren kwamen er opeens allerlei middelen vrij. Waarom kan zo iets niet in de milieuproblematiek of de armoedebestrijding?

Je grijpt nu vooruit op mijn bijdrage 'Een kwestie van grensoverschrijding', op de studentendag van 21 november. Die titel heb ik niet voor niks gekozen. Het kan, maar het hele punt is dat op dit moment het buitenlands beleid vastzit in een juridisch kader van volkenrecht. Ik persoonlijk denk dat het volkenrecht zoals dat aan het einde van de 19de eeuw is ontstaan, nu aan het begin van de 21ste eeuw geconfronteerd wordt met een aantal vragen die het in de vorm zoals het nu bestaat niet kan oplossen. En die vraagstukken zijn o.a. het milieuvraagstuk, het armoedevraagstuk, de asymmetrische oorlog en bij dat milieuvraagstuk hoort bijv. ook de problematiek van de vrije zee. Ik ben een voorstander van de idee van de vrije zee zoals Hugo de Groot dat had. Maar het is ook een feit dat die vrije zee op dit moment gedempt wordt met plastic op een zodanige manier dat we er over een honderdtal jaar met zijn allen niet meer zijn. De zee is nog steeds gebed in UNCLOS III. Dat verdrag is na tien jaar donderjagen eindelijk geratificeerd en in werking getreden in 1994. En dat zul je nu allemaal moeten gaan veranderen. Met andere wetenschapsgebieden zul je naar oplossingen moeten gaan zoeken. Je moet grensoverschrijdend te werk gaan om de problemen op te lossen. Dan moet je niet alleen juridisch kijken, maar dan moet je ook de economie erbij betrekken en de sociologie en dan de vraag stellen: 'Hoe lossen die dat op?' Dan kom je tot andere samenwerkingsvormen dan we nu hebben en dan zul je iets moeten creëren wat eenzelfde statuur zou kunnen hebben als de VN. De VN doet niets anders dan koekeloeren naar vrede en veiligheid. Daar hebben ze de handen aan vol. Ecosoc doet wel andere dingen, maar ze hebben niet de statuur van de VN zelf. Je zou daarnaast ook een organisatie van hetzelfde niveau als de VN moeten hebben die zich bezighoudt met mensenrechten. Die kan de armoede ook naar zich toetrekken. De wereldhandelsorganisatie moet veel meer bevoegdheden krijgen zodat ze werkelijk dingen kunnen gaan regelen in het economisch verkeer en het IMF moet je omhoog tillen. Waar we nu in deze financiële crisis de vreugde van ondervinden is het IMF, want die kan de zaak stabiliseren. Het zijn nu nog organisaties waarvan men zegt: 'Oh ja, die zijn er ook nog'. Het zijn juist dit soort organisaties die je allemaal op hetzelfde niveau moet zien te krijgen als de VN. Dat je daardoor coördinatieproblemen krijgt, weet ik ook, maar dat staat er even los van. Je hebt dan wel compartimenten die werkelijk dit soort vraagstukken kunnen aanpakken. Dat zou voor mij het ideaal zijn van de 21ste eeuw als je op dat niveau het armoedevraagstuk kunt aanpakken.

Moet er een ramp gebeuren om dat van de grond te krijgen?

Die ramp zou dan ongeveer de omvang van een wereldoorlog moeten hebben. Want na WO II konden we wel opeens de VN in elkaar timmeren. De rampen zijn blijkbaar nog niet groot genoeg. De kredietcrisis leek groot, maar je ziet nu weer hetzelfde gebeuren als voorheen. Je moet naar global economic governance.

Terug naar de Open Universiteit. Krijgen onze studenten een degelijk, volwassen programma aangeboden?

Wat internationaal recht betreft wel. Als ik kijk naar het programma zoals het nu draait, is dat een goed programma dat de toets der kritiek best kan doorstaan vergeleken met andere instellingen. Internationaal is een vrij zwaar programma, maar dat zit wel in de masterfase.

Komt u ook studenten tegen die een voorkeur hebben voor face to face onderwijs?

Nee. Wel krijg je wel eens te horen dat studenten niet willen samenwerken met een ander en dan moet je ze duidelijk maken dat je zonder samenwerking überhaupt geen jurist kunt zijn en wat ik ook meemaak zijn studenten die in zichzelf teruggetrokken zijn in die zin dat ze denken dat ze alles op papier kunnen doen zonder mondelinge presentaties. Die zul je duidelijk moeten maken dat je als jurist ook wel eens je mondje moet roeren.

U blonk uit in taal en daarin bent u niet de enige jurist. Gaat taal en recht hand in hand?

Ja, maar aan de andere kant denk ik dat je met de natuurwetenschappen veel verder komt. Waarom? Neem nu Riphagen met wie ik het onderwijsmodel van internationaal ontwikkeld heb. Riphagen was een typische beta-man. Afgezien van het feit dat hij vloeiend Frans, Duits en Engels sprak, was hij typisch een wiskundig denker die zich bezighield met de chaostheorie en dat soort dingen. Van daaruit ontwikkelde hij ook zijn denkbeelden over internationaal recht met formules waarin alles langs elkaar en over elkaar heen draait als in een kubus van Rubik. Dat kan je alleen als je vanuit de natuurwetenschap daartegenaan kijkt. Dus, om terug te keren naar je vraag, niet alleen het talige is bij internationaal recht van belang.

Maar recht is toch geen empirische wetenschap?

Recht is een systeem dat probeert mensen op een bepaalde manier in een of andere richting te duwen en dat systeem is intussen compleet zelfrefererend geworden. Dat rechtsysteem heeft de pretentie dat het conflicten oplost die vanuit de buitenwereld in het systeem worden ingebracht. Nu gebeurt er iets heel vreemds in zo een zelfrefererend autopoetisch systeem. Zo een systeem heeft de neiging om dat wat van buiten naar binnen komt, aan te passen aan het systeem. Dus je komt met een vraag binnen het rechtssysteem, en dan zegt het systeem: 'Mag ik van jou de feiten hebben?' Vervolgens gaat het voor zichzelf definiëren wat de relevante feiten zijn en maakt er daarna juridisch relevante feiten van. Met die juridisch relevante feiten gaat het dan aan de gang om de vraag op te lossen en formuleert vervolgens een antwoord. En dan krijg je in negen van de tien gevallen een antwoord waarvan je zegt: 'Dat vroeg ik niet!' Dan ga je terug het systeem in en dan zegt het systeem: 'Ja, die feiten waar jij mee komt, daar kan ik niks mee want die zijn voor mij niet juridisch relevant.' Dat wil zeggen dat je een systeem krijgt dat langzamerhand losstaat van de werkelijkheid. Ik waarschuw de mensen ook altijd: het is een zelfrefererend systeem. Je gooit er iets in en je krijgt er iets uit dat je niet wilt. Zoiets kun je alleen maar goed analyseren vanuit een vorm van natuurwetenschappelijk denken.

De manier waarop u dit beschrijft doet me denken aan een immuunsysteem dat allerlei virussen die het organisme insluipen onschadelijk probeert te maken.

Daar lijkt het inderdaad wel wat op. Ik werk dit in het domein ook nog verder uit. Er zitten namelijk een aantal parameters in een juridisch autopoetisch systeem: ruimte, tijd, persoon en functie. Die proberen in evenwicht te komen. Ik kom als persoon, in een bepaalde functie op een gegeven moment in een bepaalde ruimte in het systeem en, wil dan iets zodat alles in evenwicht is. Maar op het moment dat er een evenwicht is, is het ook alweer weg, want het systeem blijft doordraaien. Je zoekt het evenwicht tussen je persoonlijke rechten en je persoonlijke verplichtingen en dat staat haaks op het machtsverhaal van de een die macht heeft en een ander die ondergeschikt is aan die macht. Als je dat hele systeem zo laat draaien, kun je dat natuurwetenschappelijk uit gaan leggen, taal schiet hier tekort.

Als ik nu aspirant-student internationaal recht zou zijn met het idee oplossingen te zoeken voor allerlei internationale rechtsverhoudingen en ik wordt geconfronteerd met uw filosofie over zelfrefererende systemen, dan zou ik wel schrikken.

Ja, je biedt dit in eerste instantie ook alleen maar aan om er kennis van te nemen zonder dat je daar verder iets mee moet doen. En soms, als ik oplossingen zie van studenten voor bepaalde problemen, denk ik, zie je, het werkt door.

Als u toentertijd een langetermijnvisievisie voor de Open Universiteit had kunnen ontwikkelen, zou die in de buurt komen van de wijze waarop de Open Universiteit zich totnogtoe heeft ontwikkeld?

Ik kan natuurlijk alleen een visie voor mijn eigen onderwijs geven. Maar voor het rechtenonderwijs zou die visie er ook anders uit hebben gezien dan het nu is. Je had veel meer moeten inzetten op personen- en familierecht. Daar is behoefte aan. Daar had je een programma omheen moeten maken.

Wat is uw aanbeveling voor de Open Universiteit?

Ik zou het een lief ding waard vinden als het nepotisme eens zou verdwijnen, het bureaucratisch denken zou worden uitgebannen en het wantrouwen zou afnemen.

Is dat niet het probleem van elke universiteit?

Zou kunnen. Ik kan alleen maar de vergelijking maken met het bedrijfsleven. En die vergelijking is voor mij heel erg schrijnend. En ja, van collegas elders hoor ik dat het daar minstens zo erg is.

Als u kritisch kijkt naar uw eigen rol van docent, zijn er dan dingen te noemen waarvan u zegt: dat had ik toch anders moeten aanpakken, daar zouden studenten gelukkiger van zijn geworden.

Naar eer en geweten denk ik dat ik zoals ik de zaken in de loop der jaren heb opgezet en ontwikkeld, daar niks negatiefs over kan zeggen. Ik heb dat zo kunnen ontwikkelen omdat je je open stelt voor dingen die studenten zeggen. Daarmee maak je jezelf kwetsbaar maar dat helpt wel om er een systeem mee te bouwen. Het idee dat de docent alles weet is namelijk lariekoek, studenten zijn vaak erg clever.

Hoe ziet uw toekomst uit?

Het recht is zeker nog niet van me af. En mijn piano zal nu wat vaker klinken ... .

Tekst: John Dohmen